HOME|NEDERLANDSE PROVINCIES|LINIES EN STELLINGEN|BELGISCHE STEDEN|FRANSE NEDERLANDEN STEDEN|LUXEMBURG STAD|CONTACT|LINKS  

 

                                                                                                     BEGRIPPENLIJST

                                                                   

                         

                         

                         

                                                                                       T/M 17e EEUW

                                                                                                                                          

                         

                                                                                           18e EEUW

 

Acces
Toegang die door een inundatie voert, in de vorm van een hoog terreingedeelte, dijk, kade, land-, spoor- of waterweg; wanneer enkele dicht bijeen gelegen accessen de mogelijkheid bieden tot onderlinge steunverlening spreekt men wel van een meervoudig acces.

Accespost
Klein verdedigingswerk, aangelegd met het doel het doordringen van een aanvaller over het acces te beletten.

Affuit
Onderstel van een kanon

Afsnijding
Binnen een vestingwerk gelegen verschansing, wal of muur, soms met droge gracht, met het doel een binnengedrongen aanvaller te stoppen; werd soms in geval van nood aangelegd; zie ook retranchement.

Arsenaal
Magazijn voor oorlogsbehoeften, veelal met bijbehorende werkplaats; ook wel armementarium, bushuis, tuighuis of ('s) lands huis.

Aspergeversperring
Benaming voor een bepaald soort tankversperring. Een aantal palen of zuiltjes, veelal puntig, wordt schuin naar voren op een rij in de grond gestoken en verhindert de doorgang van pantser- of andere voertuigen. Als materiaal worden spoorrails of profielstalen balken genomen en soms werden deze ook nog in een betonnen sokkel gegoten. De aspergeversperring kan ook snel als wegversperring worden aangelegd, maar is moeilijk weer te verwijderen, wanneer de versperring geen dienst meer hoeft te doen.

Bastion
Vijfhoekige aarden of stenen uitbouw van een verdedigingswerk naar oorspronkelijk Italiaans ontwerp, voornamelijk voor het bestrijken van de aanliggende courtines.

Bastion-caponnière
Aan de wal van een fort verbonden lage bastionvormige uitbouw voor grachtsflankering: een der flanken voorzien van een lage aarden borstwering, aan vijandzijde gedekt door een remise; de andere flank voorzien van een kazemat, aan vijandzijde gedekt door een aardlichaam (zie Fort 't Hemeltje bij Houten).

Batterij
1. (organisatorisch), Een aantal stukken geschut van gelijke type, samengevoegd in één organisatie en onderling vuurverband; vroeger ook wel genaamd beukerij. 2. (vestingbouwkundig), Opstellingplaats, eventueel op een bedding, voor een aantal stukken geschut; soms uitgevoerd als afzonderlijk klein verdedigingswerk; zie ook nevenbatterij en tussenbatterij.

Bedding
Stabiel opstellingsvlak voor vesting- of belegeringsgeschut, meestal van hout; o.a. bedoeld om herhaald richten te vergemakkelijken; ook wel batterijhout.

Bedekte weg
Een door een aarden wal (glacis) of borstwering beschermende weg langs de buitenste gracht, die de vesting omgeeft.

Beer (holle beer)
1. (beer) Gemetselde dam in een vestinggracht; ter bemoeilijking van de overgang aan de bovenzijde in de vorm van een ezelsrug en al dan niet voorzien van een monnik. Functie: Scheiding respectievelijk regulering van de waterstand in een gracht, eventueel d.m.v. een sluis (sluisbeer) 2. (holle beer) Gemetselde dam in een vestinggracht voor het doorlaten van personeel en voorzien van schietgaten, voor grachtsflankement.

Beleg
Het insluiten van een vesting en het treffen van voorbereidingen deze in bezit te krijgen.

Bolwerk
Nederlandse benaming voor bastion.

Bomvrij
Het door metselwerk, beton of grondlaag bestand zijn van een verdedigingswerk tegen vernieling door bommen; het begrip is relatief en afhankelijk van het vermogen van de bewapening in een bepaalde periode.

Borstwering
Dekking van aarde (grond), steen of ander materiaal, ter bescherming van erachter opgestelde schutters of geschut.

Brisantgranaat
Granaat gevuld met hoogexplosieve springstof.

Bunker
Algemene, aan het Duits ontleende benaming voor gevechtsopstellingen, onderkomens e.d. doorgaans van gewapend beton; zie ook kazemat (betekenis 2).

Burgwal (Burchtwal)
Wal om versterkte stad of burcht aan de buitenzijde doorgaans voorzien van een gracht.

Caponnière
1. In het gebastioneerde stelsel: Een in een droge gracht aangelegde gedekte doorgang naar een voorgelegen werk, veelal tevens ingericht ter flankering van de gracht; indien overdekt ook wel grachtgalerij genoemd. 2. In het polygonale stelsel: Een aan de voet van de hoofdwal gelegen uitbouw ter flankering van de gracht; in het geval van enkelzijdige flankering wordt deze wel enkele of halve caponnière en bij tweezijdige grachtflankering wel dubbele caponnière genoemd.

Contrescarp
Tegenover de escarp gelegen en soms bekleed talud; ook wel buitengrachtsboord; de buitenwaarts ervan gelegen bedekte weg en het glacis worden soms ook tot de contrescarp gerekend.

Contrescarpgalerij
1. In een contrescarp aangebrachte galerij, voorzien van schietgaten en/of raamopeningen. 2. Bouw-werk voorzien van een zware gronddekking, aangebracht rond een deel van een torenfort, met het doel dit tegen artillerievuur te dekken.

Coupure
Doorsnijding van of doorgang in een wal of muur.

Courtine
Deel van een vestingwal- of muur, gelegen tussen twee ronddelen of bastions; ook wel gordijn.

Diamantgracht
Plaatselijke uitdieping van een gracht in de vorm van een diamant, gelegen voor een schietgat of toegang van een verdedigingswerk, dienende voor het opvangen van neerstortend puin of grond, ter voorkoming van het blokkeren van het schietgat en/of als hindernis. Bij fort aan den Hoek van Holland voor opvang van regenwater en water uit waterreservoirs.

Dekpantser
Bovendek van een pantserkoepel, meestal bolvormig.

Eenheidsfort
Fort waarin de functies van artillerie, infanterie enz. waren samengebracht; in tegenstelling tot van grotere verdedigingswerken met afzonderlijke functies.

Emplacement
Voorbereide opstellingsplaats voor geschut; ook wel platform.

Escarp
Talud van een gracht, soms met muurwerk bekleed, gelegen aan de zijde van het vestingwerk; ook wel binnengrachtsboord.

Ezelsrug
Bovenzijde van een beer, spits toelopend ter bemoeilijking van de overgang.

Face
Naar buiten gerichte schuine zijde van een bastion, ravelijn, flèche, redan of lunet.

Flank
(van een bastion) zijde van een bastion die een hoek maakt met de aangrenzende courtine.

Flankbatterij
Batterij die een deel van een vestingwerk of tussengelegen terreinstrook flankeert; ook wel batterij geplaatst op de flank van een vestingwerk.

Flankement
Vuur dat vanuit verdedigingswerken zijdelings kan worden uitgebracht.

Flankeren
Het van terzijde onder vuur nemen van een deel van het eigen vestingwerk, van een terreingedeelte of van een vijandelijk doel.

Flèche
Klein in de keel open verdedigingswerk, soms uitgevoerd als veldwerk, bestaande uit twee rechte, aaneensluitende en een enigszins scherpe hoek vormende wallen (facen).

Fort
Zelfstandig, gesloten en naar alle zijden verdedigbaar werk; heeft als regel geen burgerbevolking. Onderscheiden kunnen worden: Eenheidsfort, gebastioneerd fort, gedetacheerd fort, kustfort, pantserfort, polygonaal fort, positiefort, sperfort en torenfort.

Fortificatie
1. Verzamelnaam voor (permanente) verdedigingswerken. 2. Het aanleggen van (permanente) verdedigingswerken. 3. Kennis en kunde voor de bouw van verdedigingswerken.

Galerij
Overdekte gang in een verdedigingswerk, soms aan één of twee zijden voorzien van openingen zoals schietgaten; zie ook poterne

Gebastioneerd fort
Fort gebouwd volgens het gebastioneerd stelsel

Gebastioneerd stelsel
Vestingbouwkundig stelsel, gekenmerkt door de toepassing van bastions.

Gedetacheerd fort
Fort, zodanig ver vooruitgeschoven gelegen ten opzichte van de vesting, stelling of positie waartoe het behoorde dat deze werd gevrijwaard tegen vijandelijk artillerievuur.

Gedetacheerd werk
Verdedigingswerk, behorende bij een vesting, aangelegd op een vooruitgelegen dominerend punt. De afstand tot het vestingwerk is veelal groter dan bij een voorwerk, een wat ouder begrip.

Geschut
Verzamelnaam voor vuurmonden, samengesteld uit schietbuis, onderstel en richtmiddelen.

Gesloten werk
Geheel omwald en rondom verdedigingbaar vestingwerk.

Getrokken geschut
Geschut met een loop, waarvan de profilering spiraalvormig is.

Glacis
Flauw aflopend talud, gelegen buiten de contrescarp van een vestingwerk, dat vanaf de wal of de gedekte weg met vuur kan worden bestreken.

Gracht
Gegraven doorlopende hindernis rond een vestingwerk; in laag terrein doorgaans breed, ondiep en met water gevuld; in hoog terrein als regel vrij smal, diep en droog.

Granaat
Langwerpig en spits, vroeger ook wel bolvormig geschutprojectiel van ijzer of staal, gevuld met springstof of andere strijdmiddelen en ontstoken door middel van een buis.

Halfbastion
Vierhoekige uitbouw van de wal van een verdedigingswerk, in de vorm van een linker of rechter helft van een heel bastion.

Hefkoepel
Pantserkoepel die snel geheven en weer ingetrokken kan worden en in normale verzonken toestand onzichtbaar en moeilijk trefbaar is.

Hoofdgracht
Gracht rondom de hoofdwal; ook wel kapitale gracht.

Hoofdwal
Doorlopende wal rond een vesting, zonder de voor- of buitenwerken; ook wel stadswal of kapitale wal.

Inundatie
Doorgaans defensieve onderwaterzetting van een terreingedeelte voor militaire doeleinden; is zo mogelijk zowel onbegaanbaar als onbevaarbaar; wordt ook wel offensief gebruikt om een vijand te verdrijven.

Inundatiekom
Afzonderlijk deel van een inundatie, ingericht ten behoeve van het overbruggen van hoogteverschillen en omsloten door waterkeringen in de vorm van hoger terrein en dijken of (steun)kaden, met daarin sluizen, duikers e.d. voor het in- en uitlaten van water; zie ook komkering.

Inundatiesluis
Sluiswerk dat speciaal is aangelegd voor het stellen en onderhouden van inundaties.

Kaliber
Inwendige diameter van de schietbuis (loop) van een vuurwapen.

Kanon
Vuurmond (stuk geschut) met een lange loop van ongeveer 15 of meer maal het kaliber en een hoge aanvangssnelheid, voor het verschieten van projectielen met nagenoeg gestrekte baan over relatief grote afstand.

Kazemat
1. (in een vestingwerk), tegen vijandelijk vuur gedekte en van een schietgat voorziene ruimte voor de opstelling van een vuurwapen; aanvankelijk deel uitmakend van een vestingwerk, later vrijstaand; soms een gedekte ruimte voor legering of materieelopslag; ook wel geschutkelder, kanonkelder of gekazemateerde batterij. 2. (vrijstaand), een meestal betonnen en tot een verdedigingslinie behorende opstellingsplaats voor geschut of mitrailleurs; veelal bunker genoemd.

Keel (zijde)
Van een vijand afgekeerde zijde van een verdedigingswerk.

Koffer
Soort kazemat doorgaans aangebracht in de contrescarp, voor het flankeren van een droge gracht.

Kringenwet (verboden kring)
Wet uit 1853. De wet had tot doel het vrijhouden van het schootsveld rond de vestingwerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het slopen, bouwen, rooien en beplanten binnen de 'Verboden Kringen' was in deze wet geregeld. Afhankelijk van het strategisch belang waren alle Nederlandse vestingwerken onder deze wet verdeeld in drie klassen. De klasse van het vestingwerk bepaalde binnen de kringen de beperkingen voor het bouwen en het planten van houtgewassen.
Op grond van de Kringenwet waren om elk vestingwerk drie verboden kringen getrokken. Op een afstand van 300 m, de kleine kring, op een afstand van 600 m, de middelbare kring en op een afstand van 1000 m, de grote kring.

Kustfort
Fort dat speciaal is ingericht voor, en deel uitmaakt van de kustverdediging.

Linie
Ongeveer lineair stelsel van doorgaande, aaneengeschakelde of anderszins samenhangende verdedigingswerken, veelal voorzien van hindernissen zoals inundaties, grachten, prikkeldraadversperringen, mijnenvelden en tankhindernissen; zie ook stelling.

Loopgraaf
Diepe, uitgegraven greppel met opgeworpen borstwering, dienende om zich te dekken tegen vijandelijk vuur, danwel om de vijand veilig te naderen of onder vuur te nemen.

Lunet
Klein verdedigingswerk met twee facen en veelal korte flanken; doorgaans in de keel open; soms ravelijn of halve maan genoemd; ook wel brilschans (Zuid-Nederland).

Mijn
1. Explosieve lading, ondergronds aangebracht om daarmee bovengrondse of ondergrondse vijandelijke werken te vernielen 2. Korte benaming voor landmijn.

Monnik
Opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen, aangebracht op een beer.

Mortier
Type geschut waarmee men projectielen onder een steile baan kan verschieten.

Nationaal reduit
Kringstelling, bedoeld als laatste wijkplaats voor landsregering en krijgsmacht, van zodanige grootte dat dezen zich er langdurig zouden kunnen handhaven.

Nevenbatterij
Batterij gelegen in de onmiddellijke omgeving van een verdedigingswerk en organisatorisch daartoe behorend; zie ook tussenbatterij.

Open vestingwerk
Vestingwerk dat in de keel niet is voorzien van een wal of muur

Pantserfort
Fort waarvan de bewapening is opgesteld in een pantserkazemat of -galerij, of in een beweegbare pantserkoepel.

Pantserkoepel
Draaibare gepantserde geschutsopstelling, ook wel draaikoepel of pantsertoren genoemd; zie ook hefkoepel.

Plofsluis
Populaire benaming voor een keersluis, die voor inundatiedoeleinden op snelle wijze kan worden gesloten door het, met behulp van explosieven, doen neerstorten van ballast uit een grote, boven de vaargeul aangebrachte bak.

Polygonaal fort
Fort dat is aangelegd volgens het polygonale stelsel.

Polygonale stelsel
Vestingbouwkundig stelsel waarvan het tracé wordt gekenmerkt door het betrekkelijk eenvoudige veelhoeksvorm met rechte zijden, die worden geflankeerd vanuit caponnières en/of contrescarpkoffres; ontwikkeld in de 18e eeuw naar opvattingen van de franse vestingbouwkundige Montalembert als vervanging van het gebastioneerde stelsel.

Poort
Meestal afsluitbare doorgang door een muur of wal van een vestingwerk.

Positiefort
Gedetacheerd fort, gekenmerkt door sterke bewapening en een grote mate van stormvrijheid; hier te lande doorgaans gelegen in niet-inundeerbaar terrein.

Poterne
Ondergrondse bomvrije gang door een fort of vesting, dienende als verbinding met een (geheime) toegangs- of uitvalspoort; meer in het algemeen als interne verbinding met andere delen van het werk.

Ravelijn
Midden voor een vestingfront gelegen, ongeveer driehoekig of redanvormig buitenwerk, ter dekking van courtine en toegangspoort, alsmede de schouderhoeken der naastliggende bastions tegen vijandelijk vuur.

Redan
In de keel open verdedigingswerk, soms uitgevoerd als veldwerk, bestaande uit twee aaneensluitende rechte wallen (facen); een aantal werd veelal door middel van courtines tot een linie aaneengeschakled; zie ook flèche.

Redoute
Algemene benaming voor een eenvoudig doorgaans gesloten verdedigingswerk (soms veldwerk) zonder bepaalde vorm; soms verbasterd tot, of ten onrechte vertaald als ronduit.

Reduit
Zelfstandig verdedigbaar werk binnen een fort, dienende om de verdediging na de val van de hoofdwal te kunnen voortzetten; soms verbasterd tot ronduit; zie ook nationaal reduit.

Remise
Bomvrije bergplaats voor geschut of ander materieel

Remisekazemat
Remise voorzien van een schietgat.

Remisegeschut
Geschut dat tijdens een beschieting gedekt bleef in een remise en eerst in stelling werd gebracht wanneer een vijand tot op korte afstand was genaderd.

Retranchement
Zie afsnijding; ook wel een zelfstandig, veelal aarden verdedigingswerk zonder vaste vorm.

Rivierkazemat
Zware betonnen kazemat, in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog speciaal aangelegd ten behoeve van het met vuur bestrijken van een brug over een rivier of kanaal; ook wel brugkazemat.

Rondeel
Halfronde, gemetselde uitbouw aan een verdedigingsmuur, voorloper van het bastion.

Schans
Algemene benaming voor een eenvoudig, als regel aarden verdedigingswerk.

Schietgat
Schietopening in een wal of muur.

Schootsveld
Gedeelte van het terrein dat door een wapen onder vuur kan worden genomen.

Sperfort
Zelfstandig fort voor de beheersing van een belangrijke doorgang naar of toegang tot een gebied.

Spietoren
Kleine uitkijk- of wachttoren, uitgekraagd op de hoek van een walmuur, de saillant van een bastion of versterkt huis; later ook uitsluitend als versiering toegepast; ook wel genaamd arkel. peperbus of sentinel (Op de wal van slot Loevestein is een Spietoren te vinden).

Stelling
Min of meer zelfstandig stelsel van verdedigende opstellingen, al dan niet gebaseerd op permanente verdedigingswerken; ook wel positie; zie ook linie.

Talud
Hellend vlak of glooiing van een aarden wal of glacis; te onderscheiden in binnen- en buitentalud; ook wel dossering of docering.

Terreplein
Open binnenruimte van een vestingwerk; ook wel een brede walgang.

Torenfort
Fort met een bomvrije toren als voornaamste opstelplaats van geschut; de toren had tevens de functie van reduit, legeringruimte en magazijn.

Torpedo
Vroegere benaming voor een verankerde drijvende mijn, zoals gebruikt voor versperring van zeearmen en riviermondingen; niet te verwarren met het latere, van een aandrijving voorziene maritieme wapen.

Tracé
Grondplan of plattegrond van een verdedigingswerk of -stelsel.

Traverse
Loodrecht op de hoofdwal staande aarden wal tot dekking tegen mogelijk zijwaarts invallende schoten of scherfwerking.

Tussenbatterij
Batterij (betekenis 2) gelegen in een interval tussen forten en organisatorisch onder bevel staand van een naasthogere commandant; zie ook nevenbatterij.

Uitlegger
Met geschut bewapend platboomd vaartuig, bestemd voor de beweeglijke aanvulling van de verdediging van een linie of stelling.

Veldwerk
Algemene benaming voor een niet-duurzaam verdedigingswerk, aangelegd in het terrein; vanaf begin Eerste Wereldoorlog veelal met gebruikmaking van voorbereide onderdelen van hout, beton e.d.

Vesting
Versterkte stad; soms ook een groter verdedigingsgebied; zie Vestig Holland

Vestingbouwkundig stelsel
In bepaalde periodes toegepast en/of aan ontwerpers ervan toegeschreven vaste principes en regels voor de inrichting van vestingen, met het doel zo goed mogelijk bescherming te bieden tegen het vuur van een vijand en de gunstigst mogelijke beschermende opstelling te bieden voor de eigen wapens en personeel.

Vestinggeschut
Geschut in gebruik bij de vestingartillerie en doorgaans gekenmerkt door geringe mobiliteit.

Vesting Holland
1. Strategisch gebied, omsloten door de Zuiderzee (IJsselmeer), de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de mondingen der grote rivieren en de Noordzeekust; daarbij niet inbegrepen de Stelling van Den Helder. 2. Militaire organisatie, in 1922 ingesteld voor de bevelvoering over linies, stellingen en troepen in het onder 1 genoemde gebied.

Vestingwerk
Permanente verdedigingswerk

Vestingwet
Wet van 18 april 1874, waarin werd vastgesteld welke verdedigingslinies, respectievelijk -werken zouden deel uitmaken van de landsverdediging of zouden worden opgeheven.

Voorwerk
Verdedigingswerk, gelegen voor het glacis van een vesting, maar binnen het bereik van het ondersteunende vuur daarvan.

Wal
Dijkvormige aarden ophoging rond een verdedigingswerk, voorzien van een borstwering.

Waterlinie
Aaneengesloten linie of stelling, bestaande uit door inundatiën gedekte verdedigingswerken en troepenopstellingen.

Waterpoort
Tot een omwalling behorende poort over een rivier, kanaal of haven, voorzien van een valhek of andere versperringsmiddelen om de doorvaart te verhinderen.

Weergang
Door een borstwering beveiligde loopgang op een vestingmuur of aan de binnenzijde daarvan (Pampus).

Werk
Verdedigingswerk van niet nader omschreven type.